13-08-07

Perseiden 2007


Een weergave van foto's genomen tijdens de afgelopen Perseiden-kijkavond van 11 augustus 2007. We hadden er meer van verwacht....... de maan was niet aanwezig, dus het kon eigenlijk niet mis......

Toch slechts een 50-tal meteoren gezien, massa's satellieten , uilen en vleermuizen. Misschien was het gebrek aan waarnemers de reden dat we er net meer zagen. Ook hier geldt: meer ogen zien meer meteoren!!!!

DSCF1901

Geert in de hangmat op een hoogte van 13m (toren sterrenwacht)

DSCF1902

Dirk en Tony met blik op het zuiden.

DSCF1927

Lambert houdt de oostelijke sector in de gaten.

 

DSCF1945

Meteoor onder M 34 in Perseus, duidelijk een Perseide!!!

DSCF1942

Nachtelijk zicht op de sterrenwacht.

DSCF1920

Perseus en Casseopeia.

DSCF1936

De Noord-Amerikanevel boven de reling van het waarnemingsplatform.

 

DSCF1924

Wachten op de volgende meteoor!!!

DSCF1925

De Pleiaden komen op, 't gaat tegen de vroege uurtjes aan!!!!

 

DSCF1903

Dirk verwacht een stevige flits ( en 't was geen meteoor).

We kijken uit naar de volgende editie, hoplijk met nog meer waarnemers, zodat we nog meer vallende sterren kunnen registreren.

 

Verslag van de bijeenkomst van 13 juli 2007. Administrativa:

Geen

 Onderwerpen ter bespreking:

Op de agenda was het onderwerp “aantrekkingkracht” gepland; voor de rest werd een open agenda gebruikt en werd door aanwezige leden onderwerpen ter bespreking ingebracht.

 1.      Wat is aantrekkingskracht en heeft ze invloed op de GPS?2.      Van waar komt de zonnewarmte?3.      Waar aan het uitspansel moet gezocht naar de samenstand van Venus en Saturnus?4.      Wat betekent Equinox waarvan melding in het maandblad? 1- Wat is aantrekkingskracht en heeft ze invloed op de GPS? 

Onder normale omstandigheden valt op aarde alles van boven naar beneden en worden de planeten door de zon samengehouden. Dit is een gevolg van de aantrekkingskracht of de zwaartekracht… Wat is dan zwaartekracht?  

In de 17de eeuw beschreef Newton de zwaartekracht als een zwakke natuurkracht die werkt op alles wat massa heeft zonder onderscheid te maken tussen de soorten materie. Materie trekt andere materie op afstand aan. De kracht is groter naarmate de onderlinge massa’s groter zijn en ze neemt af met het kwadraat van de afstand. (10 keer verder weg is dus 100 keer minder sterk.)

 

Nog tot ruim 2 eeuwen na Newton was het niet duidelijk hoe licht zich gedraagt onder invloed van de zwaartekracht. Voor een vast deeltje geldt, dat het afremt door de zwaartekracht als je het bijvoorbeeld vanaf de aarde omhoog gooit. Zo ’n deeltje verliest dus bewegingsenergie. Lange tijd werd gedacht dat dit ook voor lichtdeeltjes gold, maar sinds 1905, toen Einstein de relativiteitstheorie lanceerde, weten we dat de lichtsnelheid in een vacuüm altijd constant blijft. Verliest een lichtdeeltje (foton) dan geen snelheidsenergie als het tegen de zwaartekracht in beweegt?  

Neen! De energie van een foton zit hem niet in zijn snelheid maar in zijn trillingsgetal (frequentie)  Het energieverlies door de zwaartekracht veroorzaakt dus geen lagere snelheid maar een tragere trilling => een langere golflengte. Dit noemt men de “gravitatieroodverschuiving”. 

 

Een langzamer trillend atoom is te vergelijken met een langzamer tikkende klok.  Het is wel erg moeilijk te begrijpen, maar kijken we vanaf een grote hoogte naar een klok op de begane grond, dan zien we die langzamer tikken dan iemand die gelijkvloers naar de klok kijkt.  Dieper in het zwaartekrachtveld (begane grond) loopt de tijd langzamer dan op grote hoogte. Dat blijkt als je de klokken na enige tijd  met elkaar vergelijkt.

Het is niet spectaculair veel (fractie van seconde) en kan alleen met een nauwkeurige atoomklok worden gemeten (men gebruikt Secium-atoomklokken waarbij de seconde bij het atoom Cs133 gedefinieerd als 9192631770 perioden van deze microstraling en de klok dus met deze hoge frequentie tikt) Deze afwijking wordt wetenschappelijk de “gravitatietijddilatatie” genoemd.

Een ander experiment werd uitgevoerd met 3 identieke klokken. De eerste klok werd met een vliegtuig oostwaarts rond de aarde gevlogen. Een 2de identieke klok werd in westwaartse richting rond de aarde gestuurd en beide klokken werden na hun reis met de 3de klok, die in het laboratorium was achtergebleven, vergeleken. De oostwaarts vliegende klok had een snelheid van de aardrotatie plus de vliegsnelheid, de laboratoriumklok alleen de aardrotatiesnelheid en de westwaarts vliegende klok diezelfde snelheid minus de vliegsnelheid. Na correctie voor de gravitatie-tijddilatatie (150 × 10-9) liep de oostwaarts vliegende klok na 42 uur achter ten opzichte van de laboratoriumklok, terwijl de laboratoriumklok weer achterliep ten opzichte van de westwaarts reizende klok. De grootte van het effect was voor beide klokken slechts 120 nanoseconden (120 miljardste van een seconde)  de snelheid  heeft dus ook invloed op de tijd.

 

Het GPS systeem omvat 24 satellieten die op een hoogte van 20.000 km rond de aarde draaien in 6 verschillende banen  en met een periode van 12 uur. Iedere satelliet is uitgerust met een precisie Cesium-atoomklok. Ze zenden voortdurend signalen uit met informatie over hun positie en tijdstip van uitzenden.

In een GPS ontvanger op aarde of in een vliegtuig worden signalen van minstens 4 van deze satellieten geanalyseerd. De klok in de satelliet loopt t.g.v. de hoogte boven het aardoppervlak (minder aantrekkingskracht) 50 microseconden per dag sneller dan op aarde en 11 microseconden per dag langzamer door het grotere snelheidsverschil met als gevolg dat ze per dag 39 microseconden sneller loopt. Een nauwkeurige en gevoelige tijdmeting is dus een eerste vereiste voor een goed werkende GPS. 

 

Licht legt op aarde in 30 nanoseconden ( 30 miljardste seconde) 10 meter af. Voor een afstandsbepaling met radiosignalen, waarbij satellieten op grote hoogte hangen en met grote snelheid bewegen, moet je de tijd erg nauwkeurigheid kennen om een positie tot op 10 meter nauwkeurig te kunnen bepalen.  Zonder der relativiteitstheorie zou het GPS systeem er bij het navigeren behoorlijk naast zitten.

 

De natuur is ons sinds enkele jaren ook gunstig gezind om de invloed van de gravitatie (zwaartekracht) aan te tonen. Er werden 2 pulsars ontdekt die samen rond een gemeenschappelijk zwaartepunt draaien en waarvan het baanvlak toevallig in onze richting wijst.  Pulsars zijn zeer zware, compacte massa’s van geëxplodeerde sterren die erg snel ronddraaien en radiosignalen uitzenden via 2 smalle bundels; te vergelijken met het licht van een vuurtoren. Door zijn positie in het baanvlak zal het signaal van de pulsar die achter de vorige ligt, beïnvloed worden door het gravitatieveld van de voorliggende. Als een foton langs een zware massa scheert, ondergaat dit niet alleen een afbuiging, maar treedt er ook een tijdvertraging op. Het is alsof het signaal in het zwaartekrachtveld vertraagt.

 

Volgens de relativiteitstheorie is de ruimte nabij een grote massa gekromd. Vergelijk het met een bergwandelaar die de kortste weg neemt naar het dal, maar daarvoor toch regelmatig over oneffen heuvels moet wandelen en niet zoals een vogel rechtdoor (in vogelvlucht) de kortste weg neemt.

  

In de Rechter figuur zien we dat de gravitatietijdvertraging bij de tweelingpulsar het grootst is op het moment dat de signalen bijna van achter de voorliggende pulsar vandaan komen en en diep door het veld van de voorligger gaan.

 

Met deze metingen aan de tweelingpulsar wordt duidelijk dat de ruimte in de buurt van grote massa’s gekromd is waardoor de tijd vertraagt.

  2- Van waar komt de zonnewarmte? De zon geeft licht en warmte in het zonnestelsel; de temperatuur aan het oppervlak bedraagt ongeveer 5800 graden. De temperatuur in het centrum wordt berekend op 15,5 miljoen graden.

De zon krijgt haar energie door de enorme druk die de eigen zwaartekracht op de materie uitoefent. In de kern heerst een druk van zo'n 2×1016 N/m2  (200.000.00 ton/cm2) en in combinatie met een temperatuur van zo'n 15 miljoen Kelvin, fuseert waterstof tot helium.

De energie ontstaat door het samensmelten van vier waterstofkernen om een heliumkern te vormen. Per seconde wordt zo'n 600 miljoen ton waterstof in 596 miljoen ton helium omgezet. Het verschil, 4 miljoen ton, wordt in de vorm van elektromagnetische energie in alle richtingen uitgestraald. Een zeer klein deel van deze energie wordt na 150 miljoen km door de aarde opgevangen.

Bij planeten zonder dampkring loopt de temperatuur aan de dagzijde erg hoog op en koelt tijdens de nacht erg snel af. De aardse dampkring houdt de warmte langer vast. Hierdoor zijn temperatuurschommelingen minder heftig tussen dag en nacht. De atmosfeer van Venus is dermate dicht dat de temperatuur er nog hoger oploopt en temperaturen worden bereikt tot meer dan 400°.

  3- Waar aan het uitspansel moet gezocht naar de samenstand van Venus en Saturnus? Samenstanden van Maan en planeten of planeten onderling, betekent niet dat ze astronomisch gezien op korte afstanden van elkaar staan. Ze staan alleen schijnbaar dicht bij elkaar aan de hemel.De binnenste planeten draaien sneller dan de planeten die verder van de zon staan en zullen dus regelmatig elkaar inhalen. De samenstand is echter niet altijd vanaf de aarde zichtbaar. Met de term conjunctie wordt enerzijds bedoeld dat hemellichamen dezelfde rechte klimming hebben. Ze staan dan op de lijn Noord -Zuid recht onder elkaar. Anderzijds wordt die term gebruikt wanneer hemellichamen, via de ecliptica gemeten, dezelfde astronomische lengte hebben. Binnenplaneten staan dicht bij de zon en zijn altijd vrij laag aan de oostelijke of westelijke horizon te zoeken.  4- Wat betekent Equinox waarvan melding in het maandblad? Een equinox betekent in het latijn “gelijke nacht” en is het tijdstip waarop de zon loodrecht boven de evenaar staat, of anders bekeken, als de zon in één van de snijpunten van de ecliptica en hemelequator staat. Tijdens de equinox is de lengte van dag en nacht overal op aarde gelijk. Een ander woord voor equinox is dag- of nachtevening.

Er vindt op aarde tweemaal per jaar een equinox plaats, namelijk op of rond 20 maart en op of rond 23 september. Omdat op het noordelijk halfrond deze equinoxen (of equinoctes) respectievelijk samenvallen met het begin van de lente en het begin van de herfst worden beiden vaak onderscheiden als lente-equinox en herfstequinox. Deze namen zijn echter maar relatief: op het zuidelijk halfrond betekent de equinox van maart juist het begin van de herfst en de equinox van september het begin van de lente.

De Equinox was een belangrijk moment bij onze vroege voorouders. Er werden erediensten en feesten georganiseerd en soms zijn er zelfs enorme monumenten voor opgericht. jh.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

19:58 Gepost door Lambert Beliën | Commentaren (0) |  Facebook | |